Hoe vaak rekenen we eigenlijk op een dag? In het dagelijkse leven komen we ontzettend veel getallen en rekenkundige elementen tegen waar we iets mee moeten. Niet alleen de concrete rekenles op school telt daarbij mee. Denk aan klokkijken, maar ook aan rekenen met de tijd (hoeveel tijd heb ik nog om bij die afspraak te komen?), rekenen met verhoudingen (havermoutpap maken als ontbijt) maar ook aan de getallen langs de weg en de snelheidsmeter in je auto. Kinderen hebben dus een goede rugzak met rekenbagage nodig om zich te kunnen redden in de maatschappij.
De referentieniveaus 1F en 1S beschrijven wat leerlingen moeten kunnen en kennen op het gebied van rekenen. Het 1F-niveau wordt gezien als een fundamenteel niveau, dat leerlingen eind groep 6 behaald moeten hebben. Het is de ambitie dat minimaal 85% van de leerlingen dit niveau bereikt, wat landelijk lukt. Het 1S-niveau is het streefniveau dat leerlingen nodig hebben om zich te kunnen redden in de maatschappij. Hierbij hoort de ambitie dat minimaal 65% van de leerlingen dit bereikt. Datzelfde percentage leerlingen stroomde bij de invoering van deze niveaus uit richting vmbo-t, havo of vwo. Bij deze uitstroomniveaus is 1S noodzakelijk voor een goede aansluiting op het voortgezet onderwijs. Inmiddels stroomt 75% van de leerlingen uit naar vmbo-t, havo of vwo en zou je dus ook de ambitie kunnen bijstellen.
Als je kijkt naar het woord ‘streefniveau’ en synoniemen opzoekt voor ‘streven’, dan kom je woorden als ‘trachten’, ‘proberen’ of ‘beogen’ tegen. Dit suggereert een situatie waarin je moet proberen om dit niveau te halen, terwijl we net schreven over het feit dat leerlingen dit niveau nodig hebben om zich te kunnen redden in de maatschappij en nodig hebben vanaf uitstroom vmbo-t. Proberen wordt dan dus ‘nodig hebben’ en daarom zouden we liever spreken van 1S als standaardniveau, een noodzakelijke ondergrens.
Uit onderzoek is gebleken dat de effectiviteit van rekenonderwijs sterk beïnvloed wordt door de kennis en vaardigheden van de leerkracht. De eisen die leerkrachten stellen en de verwachtingen die zij van hun leerlingen hebben, hebben invloed op de prestaties. Dit kan ertoe leiden dat leerlingen te snel de ‘één-sterroute’ (1F) volgen in rekenmethoden, waardoor ze aanbod missen dat bij 1S hoort. Zorg er dus voor dat alle leerlingen zo veel mogelijk 1S- aanbod krijgen en maak een gefundeerde keuze om een leerling op 1F te laten uitstromen. Dit doe je pas vanaf groep 6. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld het document Checklist Verantwoord kiezen voor fundamenteel rekenniveau 1F van het SLO (2012). Een collectieve overtuiging dat élke leerling het streefniveau kan halen – mits het onderwijs erop is ingericht – is noodzakelijk. Als leerkrachten een fixed mindset hanteren en verwachten dat leerlingen niet kunnen veranderen, scoren leerlingen lager op rekenen.
De vaardigheid om te differentiëren in niveaugroepen kan ervoor zorgen dat leerlingen beter gaan rekenen. Dit is het meest effectief als leerkrachten hun instructie én hun lesdoelen en werkvormen aanpassen aan het niveau van de leerlingen. Expliciete instructie, waarbij wordt voorgedaan hoe een rekenprobleem opgelost moet worden, zorgt ervoor dat leerlingen die nog geen of weinig voorkennis hebben, beter presteren.
Onderstaande aanpakken kunnen leerkrachten helpen bij het behalen van het 1S-niveau:
1. Stel rijke rekenvragen die verder gaan dan de methode.
De beste vragen op 1S-niveau worden vaak buiten de rekenles gesteld. Moedig leerlingen aan tot reflectie op hun eigen en andermans werkwijze. Vragen stellen, samen aanpakken bespreken en het perspectief op wiskunde verbreden, bevordert de wiskundige attitude. Bijvoorbeeld: in plaats van de oppervlakte van één rechthoek te vragen, geeft men de opdracht: ‘Maak zoveel mogelijk rechthoeken met ditzelfde oppervlakte’ (Marreveld, 2024, p. 155).
2. Het expliciet leggen van de verbinding tussen rekenen en andere leergebieden (burgerschap, aardrijkskunde, wereldoriëntatie)is een uitdrukkelijke boodschap vanuit de kerndoelen.
Door een wiskundige bril op te zetten, kunnen leerkrachten wiskundige structuren, modellen en instrumenten herkennen en gebruiken in alledaagse en maatschappelijke situaties. Dit maakt onderwijs betekenisvoller. Een voorbeeld is het bespreken van nieuwsberichten waarin grote getallen en verhoudingen voorkomen (Keizer & Veldhuis, 2025).
3. Diverse technologische en niet-technologische hulpmiddelen, zoals programma’s als Bareka of Rekensprint, kunnen de prestaties verhogen.
Echter, de inzet is het meest effectief als de leerkracht daarnaast ondersteuning en instructiebegeleiding biedt (Hickendorff et al., 2017; Carbonneau et al., 2013). Formatieve toetsing en het benutten van feedback van de leerkracht hebben invloed op de rekenprestaties. Dit werkt vooral als leerlingen uitgebreide feedback met uitleg ontvangen. Ook het geven van specifieke en oprechte complimenten kan het zelfvertrouwen van leerlingen vergroten (Kennisrotonde, 2018), wat hun prestaties positief beïnvloedt.
Dit kan samen met Schoolsupport tijdens de kennissessie ‘Op weg naar 1S’.