De uitkomsten van PISA-2025 laten zien dat er niet één eenvoudige oplossing is voor het versterken van basisvaardigheden. Daarvoor verschillen leerlingen, scholen en opleidingstypen te veel van elkaar. De cijfers geven wél aanleiding om naar de eigen onderwijspraktijk te kijken. Waar staan onze leerlingen? Wat hebben zij nodig? Welke expertise hebben we al in huis? En hoe zorgen we ervoor dat verbeteringen niet tijdelijk zijn, maar onderdeel worden van de dagelijkse praktijk?
Landelijke PISA-cijfers kunnen helpen om ontwikkelingen te signaleren, maar vertellen niet automatisch wat er op jouw school nodig is. Daarvoor zijn de eigen gegevens, ervaringen en observaties minstens zo belangrijk. Welke leerlingen behalen de gewenste niveaus wel en niet? Welke patronen zie je tussen groepen, leerjaren en vakken? Hoe ziet het taal-, lees- en rekenonderwijs eruit? Welke afspraken zijn er over digitale informatievaardigheden? En welke expertise is al aanwezig binnen het team?
Door die vragen samen te onderzoeken, ontstaat een scherper beeld van waar de ontwikkelopgave ligt. De landelijke cijfers geven aanleiding tot gesprek, de eigen schoolcontext bepaalt de richting.
Als duidelijk is waar je naartoe wilt, komt de volgende vraag: wat hebben de mensen binnen de school nodig om die ontwikkeling mogelijk te maken? Duurzame verbetering ontstaat wanneer kennis niet alleen van buiten komt, maar ook binnen de school wordt opgebouwd en gedeeld. Dat kan betekenen dat een leraar zich ontwikkelt tot taal- en leesspecialist, een collega zich verdiept in rekenen of digitale geletterdheid of dat een schooldirecteur zich verder ontwikkelt in het leidinggeven aan basisvaardigheden.
Ook teamtrainingen en maatwerktrajecten kunnen helpen om een gezamenlijke taal en aanpak te ontwikkelen. Daarmee wordt professionalisering geen losse activiteit. Nieuwe kennis krijgt een plek in het team en kan steeds opnieuw worden toegepast, gedeeld en verder ontwikkeld.
Dat gezamenlijke karakter is belangrijk. Neem leesvaardigheid. Wanneer lezen vooral wordt gezien als verantwoordelijkheid van de taal- of leesspecialist, blijven kansen liggen. Leerlingen lezen immers de hele dag. Ze moeten een rekenopgave begrijpen, informatie bij wereldoriëntatie verwerken, bronnen bij burgerschap vergelijken en online informatie op waarde leren schatten.
Werken aan leesvaardigheid kan daarom juist krachtiger worden wanneer verschillende leergebieden met elkaar worden verbonden. Bijvoorbeeld door rijke teksten te gebruiken bij wereldoriëntatie, gericht te bouwen aan woordenschat en achtergrondkennis en kritisch lezen te verbinden aan digitale geletterdheid. Zo wordt werken aan basisvaardigheden steeds meer onderdeel van het onderwijs als geheel.
Om de eigen praktijk verder te ontwikkelen, kan het waardevol zijn om te zien hoe anderen vergelijkbare vraagstukken aanpakken. Niet om een werkwijze één-op-één over te nemen, maar om nieuwe mogelijkheden te ontdekken en bestaande keuzes opnieuw te bekijken. Dat kan dichtbij, bij een andere Nederlandse school, maar ook over de grens. Ierland is bijvoorbeeld binnen PISA-2025 het hoogst scorende EU14-land voor leesvaardigheid. PISA verklaart niet waardoor Ierland deze positie bereikt. Het maakt het wel interessant om te onderzoeken hoe scholen daar in de praktijk werken aan onder andere kennisopbouw, leesonderwijs, rijke teksten en leescultuur.
OBS de Springschans koos ervoor om dit met het hele team te ervaren tijdens een studiereis naar Dublin. Directeur Gijs Nolet verwoordde de meerwaarde daarvan treffend: “Je kunt theorie lezen, maar pas als je het in de praktijk ziet, komt het echt tot leven.”
Ook andere landen kunnen nieuwe perspectieven bieden. In Portugal kunnen scholen bijvoorbeeld onderzoeken hoe schoolbibliotheken, leraren, specialisten en schoolleiding samen bijdragen aan taalontwikkeling en leesbevordering. Het gaat daarbij niet om de vraag: hoe kunnen wij dit kopiëren? Veel interessanter is: wat zien we hier dat ons helpt om opnieuw naar onze eigen praktijk te kijken?
Nieuwe kennis en inspiratie zijn waardevol, maar uiteindelijk gaat het erom wat er daarna in de school gebeurt. Wat hebben we geleerd? Wat bevestigt onze huidige koers? Wat willen we anders doen? Welke kennis en vaardigheden vraagt dat van het team? Wie neemt daarin welke verantwoordelijkheid? En wanneer kijken we samen of de verandering het gewenste effect heeft? Juist die vertaling maakt het verschil tussen een inspirerend moment en duurzame schoolontwikkeling.
Dat zag ook OBS de Springschans na de gezamenlijke studiereis: “Als het aansluit bij een duidelijke ontwikkelvraag binnen je school, dan is het ontzettend waardevol. Het brengt onderwijsontwikkeling én teamontwikkeling samen. Juist die combinatie maakt het zo krachtig.”
De uitdaging die PISA zichtbaar maakt, gaat uiteindelijk over meer dan scores. Het gaat over leerlingen die informatie kunnen begrijpen, kennis kunnen toepassen, kritisch kunnen denken en hun weg kunnen vinden in een steeds complexere en digitalere samenleving. Daarom vraagt het versterken van basisvaardigheden om samenhang. Tussen analyse en ambitie. Tussen leiderschap en de dagelijkse onderwijspraktijk. Tussen professionalisering, passende leermiddelen en een rijke leeromgeving. En tussen inspiratie en daadwerkelijke implementatie.
De cijfers kunnen aanleiding geven om in beweging te komen. Maar duurzame verandering ontstaat uiteindelijk binnen de school: wanneer schooldirecteuren, leerkrachten, specialisten en teams vanuit een gezamenlijke richting blijven leren, ontwikkelen en verbeteren.
Duurzame ontwikkeling begint bij de mensen die er iedere dag aan werken. Wil je de kennis en expertise binnen jouw school verder versterken? Met onze opleidingen verdiep je je in een specifiek vakgebied én leer je hoe je die kennis vertaalt naar de dagelijkse praktijk en deelt binnen je team.